Kalk-fosfor stofwisseling bij zaadetende vogels
Datum: 25-10-2005
Bron: Jos van Himbergen
Het zien opgroeien van jonge vogels in het nest tot volwassen vogels wordt als een van de mooiste ervaringen van onze vogelhobby beschouwd. En terecht, want wat eens zo'n piepklein jong was, zien we binnen enkele maanden uitgroeien tot een volwaardige en gezonde vogel.

Maar voordat het zover is, moet tijdens de verzorging ook voldoende aandacht aan de voeding in deze levensperiode van de vogel zijn besteed. Voor groei zijn niet alleen voedingseiwit, B-vitaminen e.a. nodig om organen, weefsels, huid, veren etc. te vormen, maar ook kalk, fosfor en vitamine D3 voor de ontwikkeling van een goed beenderstelsel waaromheen de spieren, organen en andere lichaamsdelen gestalte krijgen.

Reeds in de zeventiger jaren heeft mijn vader in diverse publicaties gewezen op het belang van de drie genoemde voedingsstoffen. Om de gedachten weer wat op te frissen, zullen we nu de hoofdpunten van zijn onderzoeken samenvatten om vervolgens de aandacht te vestigen op de wijze van verstrekking van deze voedingstoffen.

We zullen immers gaan zien, dat niet alleen een tekort aan bepaalde voedingselementen, maar ook overdoseringen nadelige gevolgen hebben. Een juiste dosering van kalk (= calcium), fosfor en vitamine D3 tijdens de verschillende levensperioden van de vogel (kweek, rui en rust) is daarom van belang.

 

Kalk, fosfor en vitamine D3 zijn onmisbare stoffen tijdens het kweekseizoen. Samen met het massa-element magnesium, de sporenelementen mangaan en koper zijn kalk, fosfor en vitamine D3 verantwoordelijk voor de opbouw van het beenderstelsel. Is een van deze noodzakelijke voedingsstoffen onvoldoende aanwezig in het vogellichaam, dan vindt er een dienovereenkomstig onevenredige skeletvorming plaats. Het gevolg hiervan is, dat vogels die zulk een voedingtekort in hun groeiperiode hebben gehad, minder fors zullen zijn dan vogels, die alle voedingsstoffen in voldoende mate en in de juiste verhouding hebben opgenomen.

 

Zoals U wellicht weet, voorzien zaadmengsels nooit in de dagelijkse behoefte van calcium. Afhankelijk van de samenstelling zullen zaadmensgsels voor kanaries en wildzang 0,20 - 0,30% calcium en 0,55 - 0,65% fosfor bevatten. Tropen- en parkietenmengsels bevatten doorgaans minder calcium (0,1%) en fosfor (0,4%).

Op grond van deze wetenschap zijn in het begin van de zeventiger jaren een tweetal voedingsproeven gedaan, waarbij de opname van calcium centraal stond.

In beide proefperioden hadden de vogels (kanaries) de rui voltooid en werden ze verdeeld in twee groepen. De eerste groep kreeg naast het basisrantsoen van gemengde zaden 2 maal per week eivoer zonder toevoegingen, d.w.z. geen vitaminen, massa- en sporenelementen. Tevens hadden de kanaries de vrije beschikking over grit (= fijn gebroken, gebrande zeeschelp).

De tweede groep kreeg naast het basisrantsoen van gemengde zaden 2 maal per week eivoer waarop een premix (= voormengsel van vitaminen en sporenelementen) en een bepaalde hoeveelheid calcium zijn gemengd. Ook hadden zij steeds grit vrij ter beschikking. De resultaten aan het einde van beide proefperioden zijn in tabel 1 vermeld.

Met deze proeven geeft de vogel toch wel duidelijk te kennen, dat er een extra behoefte bestaat aan calcium in het dagrantsoen. Ook zien we, dat de vogels die via het eivoer reeds een bepaalde hoeveelheid calcium opnemen (groep 2) daarnaast minder grit gebruiken.

Vervolgens werd een derde voedingsproef opgezet, waarbij een relatie is gelegd tussen de opname van calcium en het al of niet opnemen van de overige noodzakelijke voedingsstoffen (magnesium, mangaan, koper, fosfor en vitamine D3) enerzijds en het lichaamsgewicht van de vogel anderzijds. De resultaten van deze voederproef zijn weergegeven in tabel 2.

 

Tabel 1: Gemiddelde gritopname per vogel tijdens proefperiode.

 

_______________________________________________________

 

groep      voeding                                     periode 1            periode 2

_______________________________________________________

 

1             zaden

               grit                                            12,1 gram            15,9 gram

               eivoer zonder toevoegingen

 

2             zaden

               grit                                              3,3 gram              5,7 gram

               eivoer + premix* + calcium

________________________________________________________

 

*Premix bevat alle massa- en sporenelementen en vitaminen voor vogels

 

 

Tabel 2: Verband tussen opname van calcium en overige noodzakelijke voedingsstoffen voor skeletvorming enerzijds en het gemiddeld lichaamsgewicht van de vogel anderzijds.

 

______________________________________________________

groep    voeding              gemiddelde grit-      gemiddeld lichaams-

                                        opname per vogel   gewicht per vogel

______________________________________________________

 

A          zaden

            grit                                      9,6 gram             19,83 gram

 

B          zaden

            grit                                    14,0 gram              20,30 gram

            eivoer zonder toevoegingen

 

C         zaden

            grit                                      9,6 gram              23,33 gram

            eivoer + premix*

 

D         zaden

            grit                                      3,6 gram              23,43 gram

            eivoer + premix* + calcium

  

_________________________________________________________

 

*Premix bevat alle massa- en sporenelementen en vitaminen voor vogels

 

Uit de gegevens van tabel 2 kunnen we veel leren door de resultaten te vergelijken. Duidelijk is dat VOGELS DE OPNAME VAN HET MASSA-ELEMENT CALCIUM ZELF REGELEN ALS HEN DAARTOE DE KANS WORDT GEBODEN. Hadden we deze bevinding reeds geconstateerd bij eerder genomen voedingsproeven, nu weten we deze stelling met zekerheid bevestigd. Vergelijk de gemiddelde gritopname per vogel van groep B en D (tabel 2) met die van groep 1 resp. groep 2 (tabel 1).

Het tekort aan calcium in de voeding zal door de vogel dus worden aangevuld door de opname van meer grit.

Het gemiddelde lichaamsgewicht van de proefvogels van groep A en B geeft duidelijk aan, dat er een minder goede skeletvorming heeft plaatsgehad.

Deze vogels hadden naast calcium (uit de zaden en het grit), niet de beschikking over andere noodzakelijke voedingsstoffen (magnesium, mangaan, koper, fosfor en vitamine D3) via de premix, die medeverantwoordelijk zijn voor een optimale ontwikkeling van het beenderstelsel.

Dus niet alleen een gebrek aan calcium in de voeding, maar ook tekorten aan andere voedingselementen kunnen minder goede skeletvorming tot gevolg hebben.

Een evenwichtige en juiste dosering van deze voedingsstoffen is dus van groot belang voor de groei van jonge vogels. Eventuele tekorten in de voeding tijdens deze periode kunnen later - wanneer de jonge vogels volgroeid zijn - niet meer worden hersteld.

 

Hebben we tot dusver gezien, dat tekorten van ÚÚn of meerdere noodzakelijke voedingsstoffen een minder goede skeletvorming tot gevolg hebben, ˇˇk overdoseringen van deze voedingsstoffen zullen de vertering (opname) en daarmee de gezondheid van de vogel nadelig be´nvloeden. Immers velen onder U zijn reeds op de hoogte van het belang van calcium in de vogelvoeding, mede omdat in de zeventiger jaren hieraan extra aandacht is gegeven. Wat velen echter niet beseffen is dat door het onoordeelkundig gebruik van kalkhoudende producten nu juist vaak calcium wordt overdoseerd met alle nadelige gevolgen vandien.

Als voorbeeld nemen we een willekeurig product, dat zowel vitaminen als mineralen bevat. Op de verpakking staat keurig de dosering in grammen vermeld. Volgens de bijbehorende folder kan de vogelliefhebber deze dosering afmeten met een bepaald aantal theelepeltjes of eetlepels. Immers nauwkeurige afweegapparatuur heeft de liefhebber niet. Maar hoe nauwkeurig is deze "lepelmethode" nu echter? Heeft U zich dat wel eens afgevraagd? Nee? Daarom hebben wij deze "lepelmethode"voor U gecontroleerd. De resultaten zijn vermeld in tabel 3. We hebben daarbij een onderscheid gemaakt in een afgestreken theelepeltje of eetlepel. Immers deze laatste methode wordt in praktijk het meest toegepast en de folder gaf hieromtrent geen uitsluitsel.

 

Tabel 3: Dosering volgens richtlijnen met theelepeltje of eetlepel(afgestreken en vol) uitgedrukt ien een onderdosering (-) of overdosering (+) in een percentage ten opzichte van de norm.

_________________________________________________________

 

                                         afgestreken                  vol

_________________________________________________________

 

theelepel                              - 25%                    + 100%

eetlepel                                - 14%                    +   70%

_________________________________________________________

 

De resultaten laten duidelijk zien, dat het uiterst moeilijk zo niet uitvoerbaar is om volgens de gebruiksaanwijzing met een bepaald aantal thee- of eetlepels de juiste hoeveelheid te doseren. Kortom overdoseringen zijn niet uitgesloten en de gevolgen hiervan zullen nog uitvoerig aan de orde komen.

Laten we daarom nu de wisselwerking van calcium met de overig genoemde voedingsstoffen eens nader bespreken, ten einde tot een verantwoorde calciumvoorziening van onze zaadetende vogels te komen.

 

 

Hebben we in tot dusver gezien, dat zowel tekorten als een teveel aan bepaalde voedingsstoffen nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid van de vogel, dan zullen we nu de wisselwerking van calcium met de overig genoemde voedingsstoffen bespreken, ten einde tot een verantwoorde calcium-voorziening van onze zaadetende vogels te komen.

Het calcium dat door de vogel met de voeding (zaden, zachtvoer, grit, groenvoer, dierlijk voedsel etc.) wordt opgenomen, zal in de dunne darm slechts voor een gedeelte in de bloedbaan terechtkomen. We noemen dit het geabsorbeerde calcium. De rest verlaat het vogellichaam met de mest. Hoeveel calcium uit de voeding werkelijk in het verteringskanaal wordt opgenomen (geabsorbeerd) in het bloed is afhankelijk van drie factoren.

1. De calciumbehoefte van de vogel

2. De aanwezigheid van vitamine D3 in de voeding.

3. Het calciumgehalte van de voeding.

We zullen deze drie punten nu verder gaan bespreken en houden daarbij in het achterhoofd vast, dat het daadwerkelijk opgenomen calcium door het vogellichaam afhankelijk is van deze drie punten tesamen.

 

Ad 1. De calciumbehoefte van de vogel.

Deze is niet alleen groter tijdens de groeiperiode van de jonge vogels voor de bouw en instandhouding van een fors en stevig beenderstelsel, maar ook al daarvoor tijdens de productie van de eitjes. Hiervoor legt de popvogel een calciumreserve in het beenderstelsel aan om deze in een later stadium aan het te produceren ei door te kunnen geven voor het vormen van een stevige eischaal.

Ook zien we, dat in deze periode meer calcium in de dunne darm wordt opgenomen wat de vorming van de eischaal ten goede komt.

Hiermee hebben we dus niet gezegd dat er na de kweekperiode geen behoefte meer is aan calcium in de vogelvoeding. Calcium heeft naast zijn functie bij de opbouw van de eischaal en het beenderstelsel ook nog andere taken, die het gehele jaar door volbracht moeten worden.

Voorbeelden hiervan zijn het belang van calcium voor een normale functie van het zenuwstelsel, onmisbaar bij het bloedstollingsproces en normale functie van hart- en skeletspieren.

 

Ad 2. De aanwezigheid van vitamine D3 in de voeding.

Vitamine D3 reguleert in wisselwerking met hormonen (waarover later wat meer) de kalk-fosfor-stofwisseling in het vogellichaam. Zo is vitamine D3 bij vogels onder ander nodig voor:

- de opname van calcium vanuit de dunne darm in de bloedbaan,

- het binnen redelijke grenzen constant houden van het calcium- en fosforgehalte in het bloed,

- de mineralisering (afzetting) van calcium en fosfor in het skelet,

- het transport van calcium in de uterus alwaar de eischaal wordt gevormd.

Evenals de verhoogde calciumbehoefte is er tijdens de broed- en kweektijd dus ook een hogere behoefte aan vitamine D3 om de meer intensieve kalk-fosfor-stofwisseling in deze periode zo optimaal mogelijk te doen verlopen.

Buitenverblijvende vogels kunnen onder invloed van de ultraviolette straling onderhuids vanuit zogenaamde provitaminen het vitamine D3 zelf vormen. Binnengehuisveste vogels kunnen dit niet. Voor zowel binnen als buitengehuisveste vogels is echter een verantwoorde dosering van dit vitamine noodzakelijk. Nemen de vogels een goed eivoer op, waaraan reeds vitamine D3 is toegevoegd, dan zijn verdere toevoegingen van vitamine D3 overbodig. Ja, zelfs ongewenst voor de gezondheid van de vogel.

Sommige liefhebbers verstrekken levertraan - gemengd door de zaden of zachtvoer - om de vogels van extra vitamine D te voorzien. Op deze wijze hebben de vogels niet alleen de kans dat ze teveel D-vitaminen opnemen, maar tevens is de mogelijkheid van het ranzig worden (of reeds ranzig in de verpakking aanwezig bij langdurige of onjuiste bewaring) van  levertraan niet uitgesloten met alle nare gevolgen vandien.

Dit begint meestal met een dunnere ontlasting en wanneer dit bij voortduring wordt verstrekt, zien we zelfs zenuwafwijkingen welke uiterlijk zichtbaar zijn door de ongecontroleerde bewegingen van de vogel.

In zo'n geval stijgt de vitamine-E-behoefte van de vogel, omdat deze als natuurlijke anti-oxydant een verbinding aangaat met de ranzige vetten en daarbij zijn werkzaamheid als vitamine verliest.

Overdoseringen van vitamine D3 leiden tot een verhoogde afzetting van calcium en fosfor in het skelet, bloedvatwanden en nieren en er is sprake van verminderde groei.

Verstrekken we daarentegen een eivoer, dat zijn vitaminengehalte op de verpakking garandeert, dan zijn de vogels het gehele jaar door op een verantwoorde wijze voorzien van vitamine D3. Het gebruik van producten zoals levertraan is hiermee overbodig geworden, alhoewel ze in vroegere tijden zeker hun diensten hebben bewezen.

 

Ad 3. Het calciumgehalte van de voeding.

We hebben  reeds gezien, dat vogels via een zaadmengeling onvoldoende calcium opnemen en dan ook nog in de verkeerde verhouding, zoals die voor onze vogels nodig is. Daarom zijn we genoodzaakt om extra calcium (en fosfor) in het dagrantsoen te brengen, zodat er een betere verhouding van deze massa-elementen in de vogelvoeding ontstaat. De calciumbehoefte is niet het gehele jaar gelijk. In broed- en kweektijd is deze hoger. Ook het vitamine D3-gehalte van de voeding heeft invloed op de werkelijk opgenomen hoeveelheid calcium vanuit de dunne darm in de bloedbaan. De calciumbehoefte uitdrukken in een vast percentage van de vogelvoeding heeft dan ook weinig praktisch nut voor de vogelliefhebber. Wat wel belangrijk is, dat we de vogels het gehele jaar door op een verantwoorde wijze van calcium voorzien zonder dat daarbij tekorten of overdoseringen optreden. Immers beide hebben nadelige gevolgen en kunnen, indien de jonge vogels volgroeid zijn niet meer worden hersteld.

Verstrekken we naast de zaadmengeling een volledig eivoeer, waaraan een verantwoorde hoeveelheid calcium is toegevoegd dan kunnen we de vogels in hun basisbehoefte van dit massa-element voorzien. Hebben ze daarnaast nog vrij naar keuze vogelgrit ter beschikking, zodat zij deze naar gelang hun behoefte in meerdere of mindere mate kunnen opnemen dan zijn overdoseringen uitgesloten.

Dat vogels ook daadwerkelijk calcium naar behoefte opnemen vanuit de gritbak is duidelijk naar voren gekomen bij de voederproeven. Zie tabel 2 van dit artikel.

In de praktijk zien we echter nog te vaak dat aan een volledig eivoer nog eens extra kalkhoudende producten worden toegevoegd, waardoor de vogel wordt "VERPLICHT" een hoger calciumgehalte in het dagrantsoen op te nemen. De vrije keuze in kalkopname is nu gehinderd en overdoseringen zijn hiervan het gevolg.

Ook bij het zelf bereiden van een zachtvoeder met een theelepeltje of eetlepel als 'meeteenheid' kan in de praktijk leiden tot overdoseringen van kalk en fosfor van wel 100%, zoals we in het voorbeeld (tabel 3) hebben gezien. En dan laten we de overdoseringen van vet-oplosbare vitaminen en sporenelementen van zo'n product bij een onjuiste weegmethode nog buiten beschouwing.

Overdoseringen van calcium in het dagrantsoen zoals hierboven omschreven kunnen de stofwisseling van andere voedingsstoffen nadelig be´nvloeden. Zo wordt bij een te hoog calciumgehalte van de voeding de opname van magnesium, fosfor, ijzer, mangaan en jodium vanuit de dunne darm in de gestoord. Een groter gedeelte van deze voedingselementen verlaat het vogellichaam dus met de mest. Hierdoor kunnen tekorten ontstaan!

Bij een overdosering van calcium wordt ook de opname van vetten ( in %) verminderd. Nemen de vogels daarbij nog een zachtvoeder op waaraan vetten en/of oliŰn zijn toegevoegd of een eenzijdige voeding (bijvoorbeeld met zonnepitten bij papegaai-achtigen) met een hoog vetgehalte, dan wordt een lager percentage van het calcium in het bloed opgenomen, terwijl een groot deel van het calcium een verbinding aangaat met de in overvloed aanwezige vetzuren (bestanddeel van vet en olie) in het maag-darmkanaal om vervolgens het vogellichaam in de vorm van calciumvetzuren met de mest verlaten. Geschiedt dit over een langere periode dan krijgt de vogel een dunnere en plakkerige mest.

Een calcium-overdosering heeft ook invloed op de werking van hormonen (parathormoon en calcitonine), die in wisselwerking met vitamine D3 de kalk-fosforstofwisseling in het vogellichaam regelen..

Het parathormoon dat in de bijschildklier wordt gevormd, heeft tot taak om calcium uit het beenderstelsel te halen en waardoor het calciumgehalte in het bloed wordt verhoogd. Het calcitonine, dat door de schildklier word gevormd, is in staat het calciumgehalte in het bloed te verlagen door de calciumresorptie uit de botten te remmen. Beide hormonen zorgen er dus samen voor dat het calciumgehalte van het bloed binnen redelijke grenzen vrij constant blijft.

De werking van de bijschildklier wordt be´nvloed door het calcium- en fosforaanbod via de voeding. Nemen de vogels "verplicht" een te hoog calciumgehalte met de voeding tot zich, dan wordt releatief gezien (d.w.z. percentage van de hoeveelheid calcium in de voeding) minder calcium in de bloedbaan opgenomen, doch in absolute zin (d.w.z. in milligrammen) meer.

Hierdoor zal de bijschildklier minder parathormoon afscheiden, welke nodig is om heet calciumgehalte in het bloed op peil te houden. Immers wordt er rechtstreeks een grotere hoeveelheid vanuit de voeding opgenomen. Geschiedt dit echter over een langere periode dan wordt de werking van de bijschildklier minder. Stijgt vervolgens plotseling de behoefte aan calcium zoals bij de productie van eitjes het geval is, dan is de aanvoer van calcium via de voeding alleen niet voldoende. Door de overdosering van calcium is de werking van de bijschildklier minder geworden en het kan wel een halve dag duren voordat deze weer optimaal functioneert, d.w.z. voldoende parathormoon afscheidt zodat voldoende calcium aan de reserve in de beenderen wordt onttrokken en welke de vorming van de eischaal ten goede komt.

 

Aldus kunnen door een verkeerde kalk-fosforverhouding of door een overdosering van kalk in het dagrantsoen eieren worden geproduceerd met een dunnere eischaal.

Het "verplicht" opnemen van teveel kalk in het dagrantsoen van de vogel door het bijmengen van kalkhoudende producten aan een volledig eivoer of met de "lepelmethode" zel een zachtvoeder bereiden, kan de hormoonregulering van de kalk-fosforstofwisseling verstoren.

Hoewel toch goed bedoeld, wordt onbewust het tegengestelde resultaat bereikt, namelijk dunschalige eitjes en een minder fors ontwikkeld beenderstelsel bij de jonge vogels en was het niet zo dat u met die toevoegingen deze problemen juist wilde voorkomen?

Beter is het om naast een mengsel van zaden en een volledig eivoer het gehele jaar door een bakje met vogelgrit vrij ter beschikking te stellen. Tevens kunnen we hier een weinig scherpe maagkiezel aan toevoegen voor een betere vertering van de zaden. De vogels zullen hiervan naar behoefte opnemen en niet meer dan nodig is.

Let wel: Gezonde vogels hebben geen behoefte aan roodsteen of houtskool. Zij kunnen niet alleen vocht aan het verteringskanaal onttrekken, maar ook vitaminen en die verlaten het vogellichaam dan ongebruikt met de mest. Alleen wanneer er sprake is van een darmstoornis (diarree) mogen we tijdelijk een weinig houtskool verstrekken om het verteringskanaal tot rust te laten komen en dienen we tegelijkertijd de oorzaak van deze darmstoornis te achterhalen. Deze darmstoornis kan velerlei oorzaken hebben: ÚÚn daarvan is ook het overdoseren van kalk in het dagrantsoen in combinatie met een eenzijdige voeding (vetrijk) of zachtvoeders, waaraan vetten zijn toegevoegd.

Met een uitgebalanceerd dagrantsoen heeft een vogel in conditie dus geen behoefte aan houtskool. Wij, mensen, slikken toch ook niet dagelijks houtskooltabletten om ons van een nietbestaande darmstoornis te verlossen?